Eind december 2025 heeft coördinator van het Demoveld Bollenstreek Henk Verdegaal samen met Bram Mulder (van Agrifirm GMN) en loonwerker Ruben de Groot (van Loonbedrijf Gebr. de Groot BV) fertigatieslangen op het Demoveld Bollenstreek aangelegd voor de watergift en bemesting van de geplante hyacintenbollen.
Mogelijke voordelen ruggenteelt
Henk heeft voor ruggenteelt gekozen omdat deze teeltvorm deels mechanische onkruidbestrijding mogelijk maakt. Door het regelmatig schoffelen en/of aanaarden van de ruggen verstikt het onkruid en krijgt het veel minder kans om te groeien. Mogelijk positief neveneffect zou kunnen zijn dat, als gevolg van de onbeteelde brede stroken tussen de ruggen, de verdamping wordt bevorderd en daarmee de kans op botrytis wordt beperkt. Als derde reden voor deze teeltmethode geldt de hogere positie van de bollen ten opzichte van het maaiveld. Mogelijk beperkt dit de kans op pythiumschade.
Waarom hyacinten?
De reden dat er voor hyacint is gekozen in combinatie met fertigatie is het feit dat hyacint gevoelig is voor geelziek en snot. Beide bacteriële aandoeningen die bij traditionele beregening bovenover verspreidingsrisico geven. Door gebruik van een fertigatiesysteem wordt water van onderaf gegeven, waardoor dit risico aanzienlijk wordt beperkt.
Bemesten beter te reguleren
Bijkomend voordeel is dat door fertigatie het bemesten van het gewas beter te reguleren is. Normaliter vormt kunstmest in granulaatvorm de basis voor de stikstofbemesting. Belangrijk daarbij is dat het regent. Als het niet regent wordt het niet opgenomen door de plant en bij teveel neerslag spoelt het uit. Door fertigatie is de kans op uitspoeling van stikstof kleiner en neemt het stikstofrendement toe, zo is de verwachting.
Verwachting ruggenteelt
Kortom: door ruggenteelt i.c.m. fertigatie in te zetten hopen Henk, Ruben en Bram ervaring op te doen met deze alternatieve teeltmethode die wellicht schoner en duurzamer is. De ervaringen die worden opgedaan worden t.z.t. gedeeld.
Lees meer over het Demoveld Bollenstreek op de website.
“De geesten zijn rijp voor biodiversiteit in de Bollenstreek.” Wat onderzoekers en bollentelers samen in gang hebben gezet.
Hoe kunnen we de biodiversiteit in de Bollenstreek verbeteren? Wat gebeurt er als een bollenteler met de natuur gaat samenwerken? Kunnen vogels wel genoeg voedsel vinden op een bollenveld? De afgelopen vijf jaar zochten bollentelers, beleidsmakers en onderzoekers samen naar antwoorden. Ze werkten in bollenland als een natuurlijk laboratorium om te leren in de praktijk, vandaar de naam ‘Living Lab B7’. Op donderdag 5 februari deelden ze hun ervaringen en lessen voor de toekomst. “Iedereen wil zich inzetten.”
In de sfeervolle boerenzolder van Boerderijwinkel Elsbroekerwei in Hillegom klinken regelmatig lachsalvo’s door de zaal. Over en weer worden grapjes gemaakt, veel mensen kennen elkaar goed. Toen Wolf Mooij en Cassandra van Altena van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) vijf jaar geleden in de Bollenstreek op zoek gingen naar partners voor Living Lab B7, was dat voor hen wel anders. Ze kenden nog niemand. Samen met Joke Stoop liep Mooij gewoon een boerenerf op en kwam in gesprek. Mooij: “Toen het woord biodiversiteit viel, werd er gezegd: ‘Daarvoor moet je bij hem zijn, hij is jager.’ Als ecoloog moest ik toen wel even schakelen. Je kunt dus op veel manieren houden van de natuur.” En precies dat is een van de belangrijkste resultaten van deze vijf jaar, blijkt uit deze middag: ook al werk je vanuit verschillende waarden, als je op zoek gaat naar gemeenschappelijke doelen, kun je samen een verandering in gang zetten.
Complex vraagstuk
Living Lab B7 startte in 2021 met financiering van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). In een living lab, een term uit de wetenschap, werken onderzoekers, overheden en lokale partijen in een gebied samen om een complex vraagstuk op te lossen. Zoals de diverse belangen die spelen in de Duin- en Bollenstreek. Het open landschap wordt gekoesterd, maar er is ook behoefte aan nieuwe woningen. De kleurrijke bollenvelden trekken jaarlijks veel toeristen, de bollenteelt is economisch belangrijk. Tegelijk zorgt het relatief hoge gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen ervoor dat er zorgen zijn over het milieu, gezondheid en de biodiversiteit. In Living Lab B7 werkten bollentelers, bewoners, bezoekers en beleidsmakers samen aan een betere biodiversiteit in de Bollenstreek. Vandaar die 7 B’s.
Over grenzen heen samenwerken
Wat die regionale samenwerking kan betekenen voor herstel van biodiversiteit, onderzocht Susan de Koning van de Radboud Universiteit. Ze merkt op: “Mensen zien de bollenteelt als beschermer van het open landschap. Sinds 15 jaar is er tegelijkertijd meer druk op de sector om te verduurzamen, anders kun je als ondernemer niet meer economisch vitaal blijven.” Zij adviseert ondernemers om in een groter netwerk samen te werken, want biodiversiteit houdt zich ook niet aan de grenzen van gemeenten en provincies. Ook beleidsmakers hebben een bredere visie nodig, niet gefocust op maar één milieuaspect.
Dat is precies wat Nationaal Park Hollandse Duinen voor ogen heeft. In de brede kuststrook van Hoek van Holland tot Hillegom werken allerlei partners samen om de natuur te versterken, over de grenzen van de 14 gemeenten heen. Vanuit die gedachte is Living Lab B7 ontstaan. Directeur Georgette Leltz: “Wij faciliteren samenwerking, óók tussen mens en natuur. Daarbij kijken we breder dan het aantal soorten. Hoe houd je de streek levend, want er moet ook verdiend en gewoond worden. Er zijn de afgelopen jaren grenzen geslecht tussen wetenschappers en telers, en wij willen de link met natuurbeheerders verder versterken.”
Bollenvogels
Dat er zeker biodiversiteit op bollenvelden te vinden is, blijkt wel uit het veldonderzoek dat Hugo Langezaal van NIOO-KNAW deed naar de gele kwikstaart. Voor zijn onderzoek maakte Langezaal dankbaar gebruik van de kennis en het netwerk van Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging Geestgrond. De gele kwikstaart blijkt goed te gedijen in de bollenvelden en staat dan ook bekend als een van de ‘bollenvogels’ (de andere vogels zijn: scholekster, veldleeuwerik, kievit en patrijs). Bijna de helft van de nesten is succesvol, en dat is vergelijkbaar met het nestsucces in andere landbouwgewassen, vertelt Langezaal. “Om voedsel te vinden maken ze maar korte vluchten, dicht bij hun nest. En ze gaan veel vaker dan ik verwachtte naar de slootkanten voor voedsel.” Conclusie: “De slootkanten zijn van levensbelang. Ik ben verbaasd dat ook kleine slootkanten nog zoveel leven hebben. In het veld valt dus nog veel winst te behalen.”
Testen zonder chemische bestrijding
Een manier om erachter te komen hoe je de biodiversiteit in het bollenveld kunt verbeteren, is het gewoon proberen. Zo werkt een living lab: doen – leren – beter doen. Die kans is er op het Demoveld Bollenstreek in Hillegom. Projectleider Nathalie Roefs van HAS green academy is er blij mee: “Toen we tijdens een eerste veldproef de Bollenjongens leerden kennen, ontstond er iets moois. Deze groep jonge bollenkwekers beseft dat de toekomst vraagt om andere oplossingen en ze waren bereid mee te doen.” Op het Demoveld Bollenstreek (beschikbaar gesteld door Bollenjongen Bart) experimenteren de telers, samen met HAS-studenten begeleid door docent-onderzoeker Aafke Schaap, met twee soorten bollenteelt. Op de ene helft van het veld gebruiken ze geen chemische bestrijdingsmiddelen, op de andere helft doen ze dat zo min mogelijk, alleen als ze echt moeten ingrijpen. Wat ze zien, is dat elke maatregel meerdere effecten heeft. Zo werkt houtvezel wel als bestrijding tegen plagen en virussen, maar heeft het ook effect op het bodemleven. En plantaardige meststoffen blijken het moeilijk te maken om de productie op niveau te houden. Bollenteeltadviseur Bram Mulder van Agrifirm-GMN werkt mee op het demoveld en vertelt: “Dat kan je een teeltjaar kosten, en hoe duurzaam is dat?” Kortom: er zijn verschillende perspectieven en belangen. “Als je maar met respect het open gesprek voert, kun je samen met vertrouwen vooruit.”
Toekomst
Op het Demoveld Bollenstreek gaan de experimenten door. Dit derde teeltseizoen worden hyacinten op ruggen geteeld, wat mechanisch onkruid wieden vergemakkelijkt. De goede gesprekken en een bezoek bij biologische teler John Huiberts hebben bollenjongen Allan Visser geïnspireerd om te starten met een ecologisch proefveld bij W.A.M. Pennings in Noordwijkerhout. Vijf bollenteeltbedrijven en twee teeltadviseurs, onder coördinatie van Wolf Mooij en Henk Verdegaal, doen hier ervaring op met biologische bollenteelt. Zowel het Demoveld Bollenstreek als dit proefveld vinden de komende drie jaar ondersteuning van het Kennisplatform Duurzame Bollenstreek. Dit project is gefinancierd vanuit de Regeling Europese landbouwsubsidies Zuid-Holland. Penvoerder is de Greenport Duin- en Bollenstreek. “Mooi om te horen hoe goed die samenwerking bevalt”, vindt gedeputeerde Anne Koning van provincie Zuid-Holland. “Als overheid moet je koplopers aanmoedigen door kennisdeling en -ontwikkeling te stimuleren.”
Een ander concreet resultaat van Living Lab B7 is een breed verspreide poster met 14 maatregelen die bollentelers kunnen nemen om de biodiversiteit te verbeteren. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) verwerkt die maatregelen in een Biodiversiteitsmonitor voor de bollenteelt.
Rijp voor biodiversiteit
De aanwezige bollentelers zijn met een positieve blik naar biodiversiteit gaan kijken, en door de samenwerking meer gemotiveerd hieraan te werken. “Er gaat een andere wereld open als je biologisch gaat werken”, zegt Johan Verschoor, bollenteler en bestuurslid van de KAVB. “Maar het kost wel land en het is duur. De proefvelden die zijn opgericht tijdens dit living lab zijn een uitgelezen kans om ermee door te gaan.” Vanuit diverse hoeken klinkt de behoefte aan meer praktische kennis over biodiversiteit. De provincie kreeg de oproep om een centrale vraagbaak voor boeren op te richten.
Terugblikkend concludeert Van Altena: “Ik ben er trots op dat iedereen zich wilde inzetten. We hebben volgens mij impact gemaakt en er is reuring in de streek.” Mooij vult aan: “Ik heb het idee dat de geesten meer rijp zijn voor biodiversiteit.”
Het grootste succes
Het grootste succes van Living Lab B7 zit vooral in iets minder tastbaars, blijkt deze middag. Er is bij bollentelers, beleidsmakers en wetenschappers meer onderling respect voor elkaars zorgen, wensen en mogelijkheden. Als de wil er is, als je kennis deelt en met open vizier samenwerkt, kom je verder.
Voor de beroepsopdracht “Duurzame bollenteelt” is vanuit onder andere HAS green academy een meerjarig praktijkonderzoek opgezet op het Demoveld Bollenstreek in Hillegom. Hierin worden inzichten over natuurinclusieve en extensieve teeltmethoden getoetst in de praktijk. Dit rapport beschrijft het tweede monitoringsseizoen, hierin werden narcissen geteeld. De focus lag op biodiversiteit en bodemkwaliteit binnen beide beheersystemen. Na weken van onderzoek en schrijven zijn de flyer en het onderzoeksdocument van Daisy, Siebe en Fleur klaar. Benieuwd naar wie zij zijn? Ze stelden zich eerder al voor op onze website.
Onderzoeksrapport en flyer
Onderzoeksrapport:Biodiversiteit en bodemkwaliteit op het demoveld in de bollenteelt
Intensieve landbouwpraktijken leiden tot een afname van wilde diersoorten in het Nederlandse agrarisch landschap. Dit heeft gevolgen voor de ecosystemen en functies die zij vervullen, zoals natuurlijke plaagbestrijding. Om deze negatieve trend te keren, wordt steeds vaker gezocht naar landbouwmethoden die biodiversiteit en bodemkwaliteit verbeteren. De afname van biodiversiteit en bodemkwaliteit in landbouwgebieden vormt een bedreiging voor zowel natuur als landbouw. Binnen de landbouw bestaan verschillende teeltmethoden die biodiversiteit en bodemkwaliteit op uiteenlopende manieren beïnvloeden. Natuurinclusieve landbouw benut natuurlijke processen en vermijdt chemische middelen, extensieve landbouw heeft minimale externe inputs en er wordt enkel ingegrepen bij ernstige plaagdruk.
Dit onderzoek richt zich op de relatie tussen biodiversiteit en bodemkwaliteit binnen natuurinclusieve en extensieve teeltmethoden, met als doel te begrijpen hoe landbouwpraktijken deze dynamiek beïnvloeden. Op een demoveld in de Bollenstreek zijn insecten gemonitord met potvallen, plakvallen, panvallen en de Berlese-trechter. Hiermee is ook het effect van een bloemenrand onderzocht. Daarnaast is de bodemkwaliteit geanalyseerd aan de hand van chemische, fysische en biologische parameters.
De resultaten tonen aan dat de extensieve zijde, met een open zandbodem, meer insecten en een grotere soortenrijkdom herbergt dan de natuurinclusieve zijde. Dit verschil wordt veroorzaakt door de dennensnipperhoutvezellaag aan de natuurinclusieve zijde. Deze laag lijkt een fysieke barrière te vormen voor bodemgebonden insecten. Daarbij verstoort de houtvezellaag de werking van biodiversiteit bevorderende maatregelen zoals de bloemenrand. Loopkevers, als bio-indicatorgroep, bevestigen dit beeld. Loopkevers kwamen in hogere aantallen en met grotere ecologische diversiteit voor aan de extensieve zijde, inclusief zeldzame soorten zoals A. stierlini, wat wijst op een goede habitatkwaliteit.
De bodemparameters verschilden nauwelijks tussen de beheersystemen en konden niet eenduidig worden gekoppeld aan het beheer. Alleen de gehalten aan kalium, calcium en stikstof verschilden enigszins, waarschijnlijk door variaties in mestgebruik. Er werden zwakke verbanden gevonden tussen biodiversiteit en enkele bodemparameters (pH, indringingsweerstand, vochtgehalte en organisch stof), maar deze kwamen niet overeen met bevindingen uit bestaande literatuur.
Op basis van de resultaten wordt geadviseerd om te stoppen met gebruik van de houtvezellaag, vanwege de mogelijk negatieve impact op biodiversiteit. Voor vervolgonderzoek wordt aanbevolen om ook percelen met intensieve bollenteelt te betrekken, om een breder beeld te krijgen van de exacte effecten van de beheersystemen op de biodiversiteit en bodemkwaliteit.
Daisy is vierdejaars studente Milieukunde en binnen haar studie heeft ze een interesse ontwikkeld in thema’s zoals biodiversiteit en de transitie naar regeneratieve landbouw. “Deze onderwerpen spreken mij aan vanwege hun urgentie en de complexe samenhang tussen ecologische en economische aspecten. De overstap naar een duurzamer landbouwsysteem vraagt om fundamentele veranderingen. Hierbij is de samenwerking tussen verschillende partijen, waaronder telers en beleidsmakers, essentieel.” Deze complexiteit motiveert haar om bij te dragen aan oplossingen die zowel de biodiversiteit herstellen als de landbouw toekomstbestendig maken.
Ook Fleur is vierdejaars student Milieukunde. Deze Bollenstreekse heeft een sterkte interesse in bodemgezondheid en biodiversiteit in haar eigen leefomgeving. “Deze combinatie maakt dat ik me met enthousiasme inzet voor duurzamere ontwikkelingen binnen de bollenteelt.”
Siebe doet de opleiding Toegepaste Biologie en zit in zijn vierde jaar. Sinds het begin van zijn studie heeft hij een grote fascinatie voor soortenherkenning en determinatie, en hoe deze informatie inzicht kan geven in de ecologische staat van een gebied. Binnen deze beroepsopdracht werd hij specifiek betrokken vanwege zijn expertise op dit vlak. “Mijn rol in het project richt zich op het determineren van de gevonden organismen met name insecten tot op familie- of soortniveau, en deze data vervolgens ecologisch te interpreteren. Op die manier kunnen we niet alleen registreren wát er leeft op het demoveld, maar ook begrijpen waarom die soorten daar voorkomen, en hoe dit samenhangt met de toegepaste teeltmethodes. Het is voor mij een mooie kans om mijn passie voor soortenkennis te verbinden aan praktijkgericht onderzoek naar biodiversiteit.”
Wat is de relatie tussen de bollen- en bloementeelt kijkende naar de biodiversiteit en natuurinclusief telen?
“In Nederland is de bollen- en bloemensector overwegend intensief waarbij veelal sprake is van monoculturen en het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Deze praktijken kunnen een negatieve impact hebben op de biodiversiteit, aangezien chemische middelen vaak ook schadelijk zijn voor niet-doelsoorten. Bij natuurinclusieve bollenteelt wordt gestreefd naar een teeltsysteem dat ruimte laat voor natuur. Op het Demoveld Bollenstreek zijn bijvoorbeeld een bloemenrand en een haag aangelegd om de ecologische diversiteit te bevorderen. Daarnaast worden minder tot geen gewasbeschermingsmiddelen ingezet en wordt de bodem minder intensief bewerkt. Dit stimuleert het bodemleven en vermindert verstoring van het ecosysteem. Door deze aanpak kan de biodiversiteit zich herstellen en kan het systeem terugkeren naar een meer natuurlijke balans. Dit vergroot de weerbaarheid van het teeltsysteem en vermindert de kans op plagen, doordat natuurlijke plaagonderdrukkers worden ondersteund. Natuurinclusief telen vormt daarmee een belangrijke stap richting het herstel van biodiversiteit. Tegelijkertijd is het van belang om de effecten op opbrengst en economische haalbaarheid te onderzoeken, zodat deze aanpak ook op grotere schaal rendabel en toepasbaar wordt.”
Wat vinden jullie van het Demoveld Bollenstreek en wat gaan jullie precies onderzoeken?
Daisy: “Wij waarderen het initiatief, en dat dit veld beschikbaar is gesteld voor onderzoek naar natuurinclusieve en extensieve teelt. In een tijd waarin de vraag naar duurzame landbouwpraktijken groeit en de bollenteelt regelmatig onder druk staat vanwege haar milieubelasting, biedt dit demoveld een kans om het tij te keren. Door samen met telers te zoeken naar duurzamere en milieuvriendelijkere teeltmethoden, kunnen we laten zien dat de bollenteelt een positieve bijdrage kan leveren aan een toekomstbestendig landbouwsysteem. Dit veld fungeert daarmee niet alleen als proeflocatie, maar ook als belangrijk voorbeeld voor een nieuw perspectief binnen de sector.”
Fleur vult aan: “Ons onderzoek richt zich op het vergelijken van biodiversiteit en bodemgezondheid aan beide zijdes van het demoveld: de natuurinclusieve en de natuurextensieve zijde. We onderzoeken in hoeverre verschillende teelttechnieken invloed uitoefenen op de narcissenteelt, biodiversiteit en bodemkwaliteit.”
Siebe: “Voor het in kaart brengen van de biodiversiteit maken we gebruik van diverse vangmethoden, waarmee we inzicht krijgen in de soortenrijkdom en ecologische variatie op het veld. Daarnaast voeren we bodemanalyses uit om de kwaliteit van de bodem op beide zijdes te beoordelen. Ook evalueren we het effect van ecologische maatregelen, zoals de aanleg van een bloemenrand en een heg, op de biodiversiteit. In een vervolgstap onderzoeken we de relatie tussen biodiversiteit en bodemgezondheid, om de onderlinge samenhang tussen deze factoren beter te begrijpen.”
Wat valt je op aan de bevindingen van de voorgaande groep studenten?
Bij het terugkijken naar het werk van de studenten die hen voorgingen, valt op dat zij vooral in grote lijnen hebben gekeken naar de insecten en andere organismen op het demoveld. De waarnemingen werden alleen gegroepeerd op verschillende organismen, zonder precies te bepalen om welke soortgroepen het ging. Daisy, Fleur en Siebe gaan verder.
Siebe: “In onze opdracht hebben wij ervoor gekozen om een aantal stappen verder te gaan. We hebben geprobeerd alle gevangen dieren zoveel mogelijk tot op familiegroep te determineren — dat betekent dat we niet alleen ‘een vlieg’ benoemen, maar bijvoorbeeld weten of het een bloemvlieg, dansmug of rouwmug gaat. Deze verfijning geeft veel meer informatie over de ecologie van het veld. Zo kunnen we beter begrijpen welke groepen insecten op welke plekken voorkomen, en wat dat zegt over de invloed van verschillende vormen van landbouw, zoals extensieve of natuurinclusieve teelt.”
Daisy: “Kortom: door dieper te kijken, halen we veel meer uit dezelfde vangsten en dat maakt onze analyse sterker én relevanter voor de praktijk.”
Waarom zijn jullie veel op het veld en wat hopen jullie aan te treffen/mee te maken?
Fleur: “Tijdens ons onderzoek hebben we vier meetrondes uitgevoerd om de biodiversiteit in kaart te brengen. Gedurende vier opeenvolgende weken zijn we telkens twee dagen per week op locatie geweest om de vallen uit te zetten en later weer te verzamelen. Tijdens de eerste meetronde zijn tevens bodemmonsters verzameld. Deze monsters zijn samengevoegd tot mengmonsters en vervolgens geanalyseerd in het laboratorium.”
Binnenkort presenteren de studenten hun bevindingen aan de Bollenjongens.
De subsidie van 500.000 euro vanuit provincie Zuid-Holland en de Europese Unie is een geweldige bijdrage aan de opschaling van het al bestaande Demoveld Bollenstreek naar een Fieldlab. Op het demoveld wordt onderzoek gedaan naar natuurinclusieve bollenlteelt. Samen met de Bollenjongens en HAS green acadamy en Living Lab B7 loopt dit onderzoek voor het tweede jaar en werd er recent zelfs een bijzonder kever aangetroffen.
Het Fieldlab wordt een groter Demoveld, waarop meerdere grootschalige onderzoeken voor een langere periode gedaan kunnen worden. Het is een plek waar telers, adviseurs, erfbetreders, onderzoekers en studenten met elkaar kijken naar teeltmogelijkheden, het verminderen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en samenwerking met de natuur, waarbij het vergroten van de biodiversiteit een belangrijk onderdeel is.
Samenwerking
Greenport Duin- en Bollenstreek (penvoerder) voert dit project uit namens een samenwerkingsverband. De deelnemers binnen het samenwerkingsverband zijn:
Zij zijn de trekkers, we bereiken met hen en alle andere partijen de voorlopers in verduurzaming in de teelt
Opschaling naar Experimenteer Locatie in de toekomst
Het huidige Demoveld in Hillegom wordt met deze subsidie opgeschaald naar een Fieldlab. Daarnaast loopt er een subsidie-aanvraag voor een Experimenteer Locatie (Excloc-regeling).
Lees meer over het Demoveld Bollenstreek op de speciale website.
Op het demoveld voor natuurinclusieve bollenteelt in Hillegom heeft HAS-student Siebe Bouman een bijzondere ontdekking gedaan. Op de extensieve zijde vond hij een zeldzame loopkever: de donkere grootoogkever (Asaphidion stierlini). Op Waarneming.nl is te zien dat de soort vooral in Zuidoost-Nederland wordt aangetroffen. De vondst in de Duin- en Bollenstreek is dus bijzonder te noemen.
De donkere grootoogkever is een relatief recente verschijning in Nederland. De eerste waarneming stamt uit 1986, uit Zeeland. De soort komt meer algemeen voor in Frankrijk, langs de Belgische kust, Zuid-Engeland en landen rond de Middellandse Zee. Het leefgebied bestaat uit open, zandige bodems waar weinig verstoring is. Het is een zichtjager die leeft van springstaarten en andere kleine beestjes in de bodem.
De vondst is gedaan in het kader van biodiversiteitsonderzoek op het demoveld. Op dit demoveld brengen we kennis in de praktijk en ervaren en ontdekken we met elkaar hoe een toekomstbestendige en natuurinclusieve bollenteelt eruit kan zien. Komend halfjaar monitoren drie studenten van de HAS green academy de biodiversiteit en bodemgezondheid op het veld. Deze soort is in de eerste monitoringsronde aangetroffen, wie weet welke verrassingen ons nog meer te wachten staan!
Het demoveld is een initiatief van Living Lab B7, de Bollenjongens Agrifirm-GMN en Greenport Duin- en Bollenstreek.